De paprika behoort tot de rode peper familie die samen met Amerika door Colombus ontdekt is. Via Portugese en Griekse kooplieden kwamen de paprika’s in Hongarije terecht, waar de boeren de vruchten verpulverden tot een rood poeder dat goedkoop de tropische peper kon vervangen. Deze laatste peper konden de boeren niet betalen. Deze boeren overleefden de winter met spek, bruinbrood en paprika en bleven er vitaal en gezond bij. Dit kwam door het hoge gehalte aan caroteen, vitamine C en vitamine P van paprika , maar dat wist men toen nog niet. De paprika was in die tijd nog zeer scherp, zoals Spaanse peper en werd in de rest van Europa beschouwd als een Hongaarse of Turkse curiositeit.
De naam paprika is een Hongaarse verbastering van het Griekse woord “piperi” , wat gewoon peper betekent.
In het begin van de 20e eeuw is men begonnen met het veredelen van de paprika en toen kon men zachtere soorten aanbieden die niet meer brandend scherp waren. Dit gebeurde door de specerijpaprika te kruisen met de groentepaprika die totaal niet pikant is. De kruising leverde een specerijpaprika op die mooi rood van kleur was en de kruidigheid van de oorspronkelijke paprika had , maar niet de scherpte. Deze soort, waarvan de fijnste kwaliteit Delikatespaprika heet en de tweede Edelsüss, is de paprika die in de keuken het meest gebruikt wordt. Paprika moet evenals kerrie even aanfruiten in vetstof maar niet te heet, anders treedt snel verbranding op. Naast de twee zachte paprikasoorten is er ook een scherpe variant die men Rosenpaprika noemt. Deze is lichter van kleur en is pikanter omdat de tussenschotten en de zaadjes mee gemalen worden.
Paprika verliest vrij snel zijn goede aroma en mag dus niet in te grote hoeveelheden aangekocht worden.

